electoraat
zelfstandig naamwoord ˌelɛktoˈratBetekenis
- allen die het recht hebben deel te nemen in een verkiezing
Hoe spreek je electoraat uit?
/ˌelɛktoˈrat/
Electoraat bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| l | land |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| t | tak |
| o | boot |
| r | rood |
| a | maan |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- geheel van personen die stemmen of kunnen stemmen bij een verkiezing
- van de 13e tot 19e eeuw elk van de Duitse vorstendommen die een stem hadden bij het aanwijzen van een keizer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| electoraten | meervoud |
Herkomst
via Frans électorat of direct van middeleeuws Latijn electoratus "hoedanigheid van een keurvorst" **[1] in de betekenis "geheel van kiesgerechtigden" aangetroffen vanaf 1873 (zie vindplaats hieronder) **[2] in de betekenis "keurvorstendom" aangetroffen vanaf 1784 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van electoraat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| electoraten | meervoud | electoraat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van electoraat zijn vastgelegd.