zaad
zelfstandig naamwoord /zaːt/Betekenis
- een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
- zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
Hoe spreek je zaad uit?
/zat/
Zaad bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| a | maan |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als zaat.
zelfstandig naamwoord — neuter
- bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zaadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zaadjes | verkleinwoord, meervoud |
| zaden | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kiem, teelvocht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zaad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zaadje | verkleinwoord | zaad |
| zaadjes | verkleinwoord meervoud | zaad |
| zaden | meervoud | zaad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaad zijn vastgelegd.