contact
zelfstandig naamwoord kɔnˈtɑktBetekenis
- een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
- onderlinge communicatie
- een contactpersoon
- een verbinding van twee elektrische geleidingen
- een elektrische schakelaar
- de grens tussen stollings- en nevengesteente
- contacteren
Hoe spreek je contact uit?
/kɔnˈtɑkt/
Contact bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| contacten | meervoud |
| contactje | verkleinwoord, enkelvoud |
| contactjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanraking’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van contact
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| contacten | meervoud | contact |
| contactje | verkleinwoord | contact |
| contactjes | verkleinwoord meervoud | contact |
| contacte | woordvorm | contacten |
| contactende | woordvorm | contacten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van contact zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- contactadres
- contactadvertentie
- contactambtenaar
- contactcenter
- contactcentrum
- contactdoos
- contacteczeem
- contactformulier
- contactgegevens
- contactgeluid
- contactinformatie
- contactlens
- contactlijm
- contactlijst
- contactloos
- contactmoment
- contactonderwijs
- contactonderzoek
- contactpersoon
- contactpunt
- contactsleutel
- contactstoornis
- contactueel
- contactuur