ruggengraat
zelfstandig naamwoord ˈrʏɣə(n)ˌɣratBetekenis
- zuil gevormd door de wervel|wervels gelegen in de rug, die de enige steun van het hoofd en de romp uitmaakt en waarin het ruggenmerg zit
Hoe spreek je ruggengraat uit?
/ˈrʏxənˌxrat/
Ruggengraat bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- zuil gevormd door de wervels gelegen in de rug, die de enige steun van het hoofd en de romp uitmaakt en waarin het ruggenmerg zit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruggegraat | |
| ruggengraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruggengraatjes | verkleinwoord, meervoud |
| ruggengraten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘wervelkolom’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van ruggengraat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruggegraat | masculine | ruggengraat |
| ruggengraatje | verkleinwoord | ruggengraat |
| ruggengraatjes | verkleinwoord meervoud | ruggengraat |
| ruggengraten | meervoud | ruggengraat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruggengraat zijn vastgelegd.