apparaat
zelfstandig naamwoord ˌɑpaˈratBetekenis
- een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
- een groep samenwerkende mensen, m.n. in een beroep
- een voorwerp dat samenstelsel is van verschillende onderdelen
Hoe spreek je apparaat uit?
/ˌɑpaˈrat/
Apparaat bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een groep samenwerkende mensen, m.n. binnen een bepaalde beroepsgroep
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| apparaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| apparaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| apparaten | meervoud |
Herkomst
van Frans apparat, in de betekenis van ‘toestel, mechanisch hulpmiddel’ aangetroffen vanaf 1862
Woordfamilie van apparaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| apparaatje | verkleinwoord | apparaat |
| apparaatjes | verkleinwoord meervoud | apparaat |
| apparaten | meervoud | apparaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van apparaat zijn vastgelegd.