certificaat
zelfstandig naamwoord ˌsɛrtifiˈkatBetekenis
- een schriftelijk bewijs
Hoe spreek je certificaat uit?
/ˌsɛrtifiˈkat/
Certificaat bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| t | tak |
| i | riet |
| f | fiets |
| k | kat |
| a | maan |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| certificaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| certificaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| certificaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schriftelijke verklaring’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van certificaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| certificaatje | verkleinwoord | certificaat |
| certificaatjes | verkleinwoord meervoud | certificaat |
| certificaten | meervoud | certificaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van certificaat zijn vastgelegd.