klimaat
zelfstandig naamwoord kliˈmatBetekenis
- de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
- aanwezige toestand, geheel van omstandigheden
Hoe spreek je klimaat uit?
/kliˈmat/
Klimaat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| i | riet |
| m | maan |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klimaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klimaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| klimaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘natuurlijke gesteldheid van lucht en weer’ voor het eerst aangetroffen in 1485
Woordfamilie van klimaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klimaatje | verkleinwoord | klimaat |
| klimaatjes | verkleinwoord meervoud | klimaat |
| klimaten | meervoud | klimaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klimaat zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- klimaatakkoord
- klimaatbeleid
- klimaatconferentie
- klimaatcrisis
- klimaatdebat
- klimaatdoelstelling
- klimaatgebied
- klimaatmodel
- klimaatneutraal
- klimaatnota
- klimaatonderzoek
- klimaatopwarming
- klimaatprobleem
- klimaatregelaar
- klimaatscepticus
- klimaatschade
- klimaatsverandering
- klimaattop
- klimaatverandering
- klimaatwet
- klimaatwetenschap
- klimaatwetenschapper
- klimaatzone
- klimatologie