castraat
zelfstandig naamwoord kɑs'tratBetekenis
- gecastreerde man of dier.
- mannelijke sopraan- of altzanger, die als gevolg van een jeugdige castratie, de jongensstem heeft behouden.
Hoe spreek je castraat uit?
/kɑsˈtrat/
Castraat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| castraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| castraatjes | verkleinwoord, meervoud |
| castraten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘mannenstem die geen stemwisseling heeft ondergaan’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van castraat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| castraatje | verkleinwoord | castraat |
| castraatjes | verkleinwoord meervoud | castraat |
| castraten | meervoud | castraat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van castraat zijn vastgelegd.