primaat
zelfstandig naamwoord priˈmatBetekenis
- een zoogdier van de orde der , waartoe apen en halfapen behoren
- een kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
- de omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
- oppergezag
Hoe spreek je primaat uit?
/priˈmat/
Primaat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| i | riet |
| m | maan |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor zoogdieren uit de orde Primates, waartoe apen en halfapen behoren
- kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| primaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| primaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| primaten | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
Herkomst
Leenwoord uit Latijn primas ‘aanzienlijkste’ **m [1]: terugvorming uit primaten van Neolatijn Primates **m [2]: via Middelnederlands primaet van Frans primat, in de betekenis van ‘titel van aartsbisschoppen en de paus’ aangetroffen vanaf 1350 **o: van Latijn primatus ‘heerschappij’, op te vatten als Naamwoord van handeling van primeren met het achtervoegsel -aat