kandidaat
zelfstandig naamwoord /kɑndiˈdat/Betekenis
- iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
- iemand die zich beschikbaar geteld heeft voor een baan of functie
- een deelnemer aan een spelshow
Hoe spreek je kandidaat uit?
/kɑndiˈdat/
Kandidaat bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| i | riet |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kandidaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kandidaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| kandidaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gegadigde’ voor het eerst aangetroffen in 1652
Woordfamilie van kandidaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kandidaatje | verkleinwoord | kandidaat |
| kandidaatjes | verkleinwoord meervoud | kandidaat |
| kandidaten | meervoud | kandidaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kandidaat zijn vastgelegd.