staat
zelfstandig naamwoord, werkwoord statBetekenis
- binnen een afgebakend grondgebied werkzame, in hoge mate soevereine organisatie die gezag uitoefent over de op dat grondgebied wonende bevolking
- een toestand, gesteldheid
- in staat: de mogelijkheid hebbend
- overzicht of lijst van iets, vooral van bedragen, baten en lasten
Hoe spreek je staat uit?
/stat/
Staat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| staatje | verkleinwoord |
| staatjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| staten | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- toestand of gesteldheid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staan
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staan
- gebiedende wijs meervoud van staan
Vervoeging van staat
staathele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van staat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| staatje | verkleinwoord | staat |
| staatjes | verkleinwoord | staat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van staat zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- Staatscourant
- Statenlid
- Statenverkiezing
- Statenvertaling
- plechtstatig
- staatkunde
- staatloos
- staats
- staatsambtenaar
- staatsbanket
- staatsbankroet
- staatsbeambte
- staatsbedrijf
- staatsbegrafenis
- staatsbemoeiing
- staatsbestel
- staatsbestuur
- staatsbezoek
- staatsblad
- staatsburger
- staatscommissie
- staatsexamen
- staatsfonds
- staatsgeheim