episcopaat
zelfstandig naamwoord epɪsko'patBetekenis
- bisschoppelijke waardigheid
- de bisschoppen samen
- bisdom
Hoe spreek je episcopaat uit?
/epɪskoˈpat/
Episcopaat bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| k | kat |
| o | boot |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| episcopaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bisschoppelijke waardigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van episcopaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| episcopaten | meervoud | episcopaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van episcopaat zijn vastgelegd.