kabel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
- kabel om het schip vast te leggen
- is een samenstel van twee of meer geïsoleerde elektrische leidingen, met een gezamenlijke mantel
- kabel, touw
- kabel, leiding
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kabels | meervoud |
| kabeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kabeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dik touw of staal’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van kabel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kabels | meervoud | kabel |
| kabeltje | verkleinwoord | kabel |
| kabeltjes | verkleinwoord meervoud | kabel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kabel zijn vastgelegd.