garen
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- door middel van koken klaar maken voor consumptie, gaar maken
- gaar worden
- verzamelen
- draad die wordt gemaakt door het spinnen van vezels
- van garen vervaardigd
Vervoeging van garen
garenhele werkwoord — gaardeverleden tijd enkelvoud — gaardenverleden tijd meervoud — gegaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gaar | gaarde |
| jij | gaart | gaarde |
| hij, zij, het | gaart | gaarde |
| wij | garen | gaarden |
| jullie | garen | gaarden |
| zij | garen | gaarden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaar | gebiedende wijs |
| gaarde | verleden tijd |
| gare | aanvoegende wijs |
| garend | onvoltooid, deelwoord |
| gegaard | verleden tijd, deelwoord |
| gegaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te garen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen garen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt garen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen garen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult garen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘draad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1278
Woordfamilie van garen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | garen |
| garend | onvoltooid deelwoord | garen |
| garende | woordvorm | garen |
| garens | meervoud | garen |
| garentje | woordvorm | garen |
| garentjes | meervoud | garen |
| gegaard | voltooid deelwoord | garen |
| gegaarde | woordvorm | garen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garen zijn vastgelegd.