structuur
zelfstandig naamwoord /strʏkˈtyr/Betekenis
- de interne opmaak van een geheel
- de manier waarop een samengesteld geheel is opgebouwd
Hoe spreek je structuur uit?
/strʏkˈtyr/
Structuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| y | fuut |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| structuren | meervoud |
| structuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| structuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wijze van opbouw’ voor het eerst aangetroffen in 1494
Woordfamilie van structuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| structuren | meervoud | structuur |
| structuurtje | verkleinwoord | structuur |
| structuurtjes | verkleinwoord meervoud | structuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van structuur zijn vastgelegd.