predicaat
zelfstandig naamwoord prediˈkatBetekenis
- kenmerkende benaming
- eretitel of loffelijke bijvoeging
- gezegde
- formalisering van een propositie, (bewering, assertie)
Hoe spreek je predicaat uit?
/prediˈkat/
Predicaat bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| d | dak |
| i | riet |
| k | kat |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als praedicaat, predikaat.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| praedicaat | |
| predicaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| predicaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| predicaten | meervoud |
| predikaat |
Herkomst
Ontleend aan middeleeuws Latijn predicatum ‘benaming’, uit Laatlatijn praedicatum ‘dat wat over iets wordt uitgesproken’, op te vatten als Naamwoord van handeling van prediceren met het achtervoegsel -aat **[1] in de betekenis ‘passende benamingen’ aangetroffen vanaf 1523 **[2] leenvertaling uit Duits Prädikat in de betekenis ‘eretitel, loffelijke bijvoeging’ aangetroffen vanaf 1815 **[3] leenvertaling uit Frans prédicat in de betekenis ‘(grammaticaal) gezegde’ aangetroffen vanaf 1786 (zie vindplaats hieronder) **[4] in de betekenis ‘formele aanduiding’ aangetroffen vanaf 1796 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van predicaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| praedicaat | neuter | predicaat |
| predicaatje | verkleinwoord | predicaat |
| predicaatjes | verkleinwoord meervoud | predicaat |
| predicaten | meervoud | predicaat |
| predikaat | neuter | predicaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van predicaat zijn vastgelegd.