stekker
zelfstandig naamwoord ˈstɛkərBetekenis
- het verharde uiteinde aan één of meerdere geleidende draden bedoeld om in een stekkerdoos gestoken te worden en elektrisch contact te maken
Hoe spreek je stekker uit?
/ˈstɛkər/
Stekker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als stacker.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stekkers | meervoud |
| stekkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stekkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘steekcontact’ voor het eerst aangetroffen in 1926
Woordfamilie van stekker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stekkers | meervoud | stekker |
| stekkertje | verkleinwoord | stekker |
| stekkertjes | verkleinwoord meervoud | stekker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stekker zijn vastgelegd.