snoer
zelfstandig naamwoord, werkwoord snurBetekenis
- soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
- ketting van een aantal aan een draad geregen voorwerpen
- buigzaam materiaal in een zeer langgerekte vorm waarmee je dingen kunt vastbinden of tussen dingen een verbinding kan maken
- dunne draad waaraan een of meer vishaakjes zijn bevestigd
- vrouw die tegen vergoeding seks heeft met mannen
Hoe spreek je snoer uit?
/snur/
Snoer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| u | boek |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snoeren | meervoud |
| snoertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| snoertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
- gebiedende wijs van snoeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
Vervoeging van snoer
snoerhele werkwoord
Herkomst
[2-4]: In de betekenis van ‘koord, draad’ voor het eerst aangetroffen in 1286
Woordfamilie van snoer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snoertje | verkleinwoord | snoer |
| snoertjes | verkleinwoord meervoud | snoer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoer zijn vastgelegd.