laat
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord latBetekenis
- na het voorziene ogenblik
- 's avonds, 's nachts
- in de middeleeuwen halfvrije boer die levenslang verplicht was op een bepaalde plaats bepaalde werkzaamheden voor een landheer te verrichten
Hoe spreek je laat uit?
/lat/
Laat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- na het moment dat was voorzien
- met een langzamere ontwikkeling dan wat normaal is
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- op een laat moment
zelfstandig naamwoord — masculine
- in de middeleeuwen een halfvrije boer [1] die levenslang verplicht was op een bepaalde plaats bepaalde werkzaamheden voor een landheer te verrichten
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van laten
- gebiedende wijs van laten
Vervoeging van laat
laathele werkwoord
Herkomst
(bijvoeglijk naamwoord) erfwoord via het Middelnederlandse late van de Germaanse stam lata. Verwant met het Gotische lats, Oudsaksische lat, Oudnoords latr en Latijn lassus. Van Indo-Europees *leh1d-. In de betekenis ‘niet vroeg’ voor het eerst aangetroffen in 1281
Woordfamilie van laat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laats | partitive, positive | laat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laat zijn vastgelegd.