maat
zelfstandig naamwoord /maːt/Betekenis
- kameraad, makker, metgezel, vriend
- (in het kaartspel) partner
- (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud
- juiste afmeting, geschikt formaat: software op maat, onder de maat
- aanduiding van de grootte van een kledingstuk of schoen: een maatje te groot
- manier om een muziekstuk in te delen: maat houden
- water; kleurloze vloeistof
Hoe spreek je maat uit?
/mat/
Maat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord
- partner masculine
- / (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud feminine, masculine
- / juiste afmeting, geschikt formaat feminine, masculine
- / aanduiding van de grootte van een kledingstuk of schoen: een maatje te groot feminine, masculine
- / manier om een muziekstuk in te delen feminine, masculine
- in een bepaald regelmatig tempo; met een bepaalde snelheid figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maatje | verkleinwoord |
| maatjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| maten | enkelvoud |
Herkomst
[1][2] Ontleend aan Middelnederduits māt, māte “metgezel”, “makker”, uit Germaans *gimato “disgenoot”, “metgezel”. In de betekenis van ‘metgezel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546.
Woordfamilie van maat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maats | meervoud | maat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maat zijn vastgelegd.