makelaar
zelfstandig naamwoord ˈmakəˌlarBetekenis
- de tussenpersoon in de handel, zowel van roerende als onroerende goederen
- een verticale balk in een dakconstructie tussen nok en hanenbalk
- een ornament op een markant punt van een bouwwerk
- een verticale aanslagstrip tussen 2 vleugels van een kast of van een deur
Hoe spreek je makelaar uit?
/ˈmakəˌlar/
Makelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| makelaars | meervoud |
| makelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| makelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| makelaren | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenpersoon’ voor het eerst aangetroffen in 1270
Woordfamilie van makelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| makelaars | meervoud | makelaar |
| makelaartje | verkleinwoord | makelaar |
| makelaartjes | verkleinwoord meervoud | makelaar |
| makelaren | meervoud | makelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van makelaar zijn vastgelegd.