lessenaar
zelfstandig naamwoord ˈlɛsəˌnarBetekenis
- meubel met een hellend bovenblad als overzichtelijke plaats voor een te lezen of te schrijven tekst. Vaak is er onder het bovenblad een bergplaats. De omvang kan sterk uiteenlopen: een open kastje dat op een tafel wordt gezet, een hoog meubel dat zelf op de grond staat en in kerken en scholen kan het ook om een constructie met een zitplaats gaan.
- standaard om bladmuziek op te plaatsen
Hoe spreek je lessenaar uit?
/ˈlɛsəˌnar/
Lessenaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- meubel met een hellend bovenblad als overzichtelijke plaats voor een te lezen of te schrijven tekst Vaak is er onder het bovenblad een bergplaats. De omvang kan sterk uiteenlopen: een open kastje dat op een tafel wordt gezet, een hoog meubel dat zelf op de grond staat en in kerken en scholen kan het ook om een constructie met een zitplaats gaan.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lessenaars | meervoud |
| lessenaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lessenaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands lessenare/lessenere, in de betekenis van ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van lessenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lessenaars | meervoud | lessenaar |
| lessenaartje | verkleinwoord | lessenaar |
| lessenaartjes | verkleinwoord meervoud | lessenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lessenaar zijn vastgelegd.