openbaar
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˌopə(n)ˈbarBetekenis
- vrij toegankelijk
Hoe spreek je openbaar uit?
/ˌopənˈbar/
Openbaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| b | bak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| openbaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| openbaardere | verbogen, vergrotende trap |
| openbaarders | partitief, vergrotende trap |
| openbaars | partitief, stellende trap |
| openbaarst | onverbogen, overtreffende trap |
| openbaarste | verbogen, overtreffende trap |
| openbare | verbogen, stellende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van openbaren
- gebiedende wijs van openbaren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van openbaren
Vervoeging van openbaar
openbaarhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands openbaer bn / openbare bw , op te vatten als afgeleid van openen met het achtervoegsel -baar, in de betekenis van ‘algemeen bekend, het algemeen betreffend’ aangetroffen vanaf 1200
Woordfamilie van openbaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| openbaarder | vergrotende trap | openbaar |
| openbaardere | verbogen vergrotende trap | openbaar |
| openbaarders | partitieve vergrotende trap | openbaar |
| openbaars | partitive, positive | openbaar |
| openbaarst | uninflected, superlative | openbaar |
| openbaarste | inflected, superlative | openbaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openbaar zijn vastgelegd.