gaar
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ɣarBetekenis
- lang genoeg gekookt zodat het eetklaar is
- duf, energieloos, futloos
- (jongerentaal) zonderling
Hoe spreek je gaar uit?
/xar/
Gaar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| a | maan |
| r | rood |
bijvoeglijk naamwoord
- zonderling informal
- Ten volle, geheel en al, ganschelijk obsolete
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| gaardere | verbogen, vergrotende trap |
| gaarders | partitief, vergrotende trap |
| gaars | partitief, stellende trap |
| gaarst | onverbogen, overtreffende trap |
| gaarste | verbogen, overtreffende trap |
| gare | verbogen, stellende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garen
- gebiedende wijs van garen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garen
Vervoeging van gaar
gaarhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands van Oudnederlands garo, in de betekenis van ‘voldoende toebereid’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van gaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaardere | verbogen vergrotende trap | gaar |
| gaars | partitive, positive | gaar |
| gaarst | uninflected, superlative | gaar |
| gaarste | inflected, superlative | gaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaar zijn vastgelegd.