verkoper
zelfstandig naamwoord, werkwoord vərˈkopərBetekenis
- iemand die goederen of diensten verkoopt
Hoe spreek je verkoper uit?
/vərˈkopər/
Verkoper bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| o | boot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verkopers | meervoud |
| verkopertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| verkopertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkoperen
- gebiedende wijs van verkoperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkoperen
Vervoeging van verkoper
verkoperhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘iem. die waren verkoopt’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van verkoper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkopers | meervoud | verkoper |
| verkopertje | verkleinwoord | verkoper |
| verkopertjes | verkleinwoord meervoud | verkoper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkoper zijn vastgelegd.