misbaar
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord mɪzˈbarBetekenis
- met veel : in overmatige mate ergens een probleem van makend. (met luid geschreeuw en veel lawaai)
- maken: in overmatige mate ergens een probleem van maken
- luid schreeuwen, klagen, of lawaai maken
- niet onontbeerlijk, te vervangen.
Hoe spreek je misbaar uit?
/mɪzˈbar/
Misbaar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| z | zon |
| b | bak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- met veel misbaar: in overmatige mate ergens een probleem van makend. (met luid geschreeuw en veel lawaai)
- misbaar maken: in overmatige mate ergens een probleem van maken
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mísbaar | canonical |
Herkomst
zn: van Middelnederlands misbare, in de betekenis van ‘geschreeuw’ aangetroffen vanaf 1285
Woordfamilie van misbaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misbaarder | woordvorm | misbaar |
| misbaardere | woordvorm | misbaar |
| misbaarders | woordvorm | misbaar |
| misbaars | woordvorm | misbaar |
| misbaarst | woordvorm | misbaar |
| misbaarste | woordvorm | misbaar |
| misbare | woordvorm | misbaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misbaar zijn vastgelegd.