gitaar
zelfstandig naamwoord /ɣi'tar/Betekenis
- een muziekinstrument, gewoonlijk met zes snaar|snaren, bespeeld met de vingers of een plectrum
Hoe spreek je gitaar uit?
/xiˈtar/
Gitaar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| i | riet |
| t | tak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een muziekinstrument, gewoonlijk met zes snaren, bespeeld met de vingers of een plectrum
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gitaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gitaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| gitaren | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1683
Woordfamilie van gitaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gitaartje | verkleinwoord | gitaar |
| gitaartjes | verkleinwoord meervoud | gitaar |
| gitaren | meervoud | gitaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gitaar zijn vastgelegd.