klaar
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /klaːr/Betekenis
- in gereedheid gebracht, gereed, het is gepiept
- licht doorlatend
- helder, duidelijk
- zuiver
Hoe spreek je klaar uit?
/klar/
Klaar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
bijvoeglijk naamwoord
- in staat van gereedheid gebracht, gereed
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| klaardere | verbogen, vergrotende trap |
| klaarders | partitief, vergrotende trap |
| klaars | partitief, stellende trap |
| klaarst | onverbogen, overtreffende trap |
| klaarste | verbogen, overtreffende trap |
| klare | verbogen, stellende trap |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
- gebiedende wijs van klaren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
Vervoeging van klaar
klaarhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘helder’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van klaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klaarder | vergrotende trap | klaar |
| klaardere | verbogen vergrotende trap | klaar |
| klaarders | partitieve vergrotende trap | klaar |
| klaars | partitive, positive | klaar |
| klaarst | uninflected, superlative | klaar |
| klaarste | inflected, superlative | klaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klaar zijn vastgelegd.