avegaar
zelfstandig naamwoord /ˈavəˌɣar/Betekenis
- boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de schroef van Archimedes, ook als grondboor
Hoe spreek je avegaar uit?
/ˈavəˌxar/
Avegaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| v | vis |
| ə | de |
| x | acht |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| avegaars | meervoud |
| avegaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| avegaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘grote boor’ voor het eerst aangetroffen in 1404
Woordfamilie van avegaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| avegaars | meervoud | avegaar |
| avegaartje | verkleinwoord | avegaar |
| avegaartjes | verkleinwoord meervoud | avegaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van avegaar zijn vastgelegd.