schakelaar
zelfstandig naamwoord ˈsxakəˌlarBetekenis
- toestel om een elektrische stroomketen te sluiten of te onderbreken
Hoe spreek je schakelaar uit?
/ˈsxakəˌlar/
Schakelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schakelaars | meervoud |
| schakelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schakelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van schakelen met het achtervoegsel -aar
Woordfamilie van schakelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schakelaars | meervoud | schakelaar |
| schakelaartje | verkleinwoord | schakelaar |
| schakelaartjes | verkleinwoord meervoud | schakelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schakelaar zijn vastgelegd.