kerselaar
zelfstandig naamwoord ˈkɛrsəˌlarBetekenis
- (België) een boom uit het geslacht Prunus
- (België) het hout van een boom uit het geslacht Prunus
Hoe spreek je kerselaar uit?
/ˈkɛrsəˌlar/
Kerselaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een boom uit het geslacht Prunus
- het hout van een boom uit het geslacht Prunus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerselaars | meervoud |
| kerselaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerselaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| kerselaren | meervoud |
Herkomst
afgeleid van kers met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -laar
Woordfamilie van kerselaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerselaars | meervoud | kerselaar |
| kerselaartje | verkleinwoord | kerselaar |
| kerselaartjes | verkleinwoord meervoud | kerselaar |
| kerselaren | meervoud | kerselaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerselaar zijn vastgelegd.