rammelaar
zelfstandig naamwoord ˈrɑməˌlarBetekenis
- mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen (bijvoorbeeld een konijn of haas)
- een speeltuig voor baby's, m.b. een hol voorwerp waarin zich een of meer balletjes bevinden en dat geluid voortbrengt wanneer er mee geschud wordt
- babbelaar, tateraar; praatziek persoon
Hoe spreek je rammelaar uit?
/ˈrɑməˌlar/
Rammelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rammelaars | meervoud |
| rammelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rammelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘mannetje van konijn of haas’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van rammelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rammelaars | meervoud | rammelaar |
| rammelaartje | verkleinwoord | rammelaar |
| rammelaartjes | verkleinwoord meervoud | rammelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rammelaar zijn vastgelegd.