vaar
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /var/Betekenis
- bout met schroefdraad, passend in moer met inwendige schroefdraad
- (in wapenkunde) vakvoering samengesteld uit klok- of schildvormige vakjes, beurtelings van zilver en azuur
- man die een of meer kinderen heeft; iemands naaste mannelijke bloedverwant in opgaande lijn, vader
- mannelijk dier dat jongen heeft voortgebracht
- angst
- doorgemolken en niet bevrucht
- beschermer
- God
Hoe spreek je vaar uit?
/var/
Vaar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaartjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vakvoering samengesteld uit klok- of schildvormige vakjes, beurtelings van zilver en azuur
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
- gebiedende wijs van varen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
Vervoeging van vaar
vaarhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bout met schroefdraad, passend in moer met inwendige schroefdraad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1736