kandelaar
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɑndəˌlarBetekenis
- standaard waarop één of meer kaarsen geplaatst kunnen worden
Hoe spreek je kandelaar uit?
/ˈkɑndəˌlar/
Kandelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kandelaars | meervoud |
| kandelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kandelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| kandelaren | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaren
- gebiedende wijs van kandelaren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaren
Vervoeging van kandelaar
kandelaarhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands candelere van Picardisch candelier, in de betekenis van ‘kaarsdrager’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kandelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kandelaars | meervoud | kandelaar |
| kandelaartjes | verkleinwoord meervoud | kandelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kandelaar zijn vastgelegd.