naar
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voorzetsel narBetekenis
- onaangenaam, niet leuk
- op onaangename wijze
- de richting waarin
Hoe spreek je naar uit?
/nar/
Naar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| r | rood |
bijvoeglijk naamwoord
- onaangenaam, vervelend, rot, niet leuk
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| naarder | onverbogen, vergrotende trap |
| naardere | verbogen, vergrotende trap |
| naarders | partitief, vergrotende trap |
| naars | partitief, stellende trap |
| naarst | onverbogen, overtreffende trap |
| naarste | verbogen, overtreffende trap |
| nare | verbogen, stellende trap |
bijwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
voorzetsel
- in de richting van
Herkomst
In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van naar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naarder | vergrotende trap | naar |
| naardere | verbogen vergrotende trap | naar |
| naarders | partitieve vergrotende trap | naar |
| naars | partitive, positive | naar |
| naarst | uninflected, superlative | naar |
| naarste | inflected, superlative | naar |
| nare | verbogen vorm | naar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naar zijn vastgelegd.