adelaar
zelfstandig naamwoord ˈadəˌlarBetekenis
- een roofvogelsoort
- een veldteken of standaard met de afbeelding van een adelaar (m.n. in het Romeinse leger)
- een teken in de heraldiek
- een sterrenbeeld op met Altair als helderste ster
- arend; een roofvogelsoort
- arend
adelaar in een zin
- Hoog boven de rotsen cirkelde een adelaar in de wind.
- Op het wapen staat een adelaar met gespreide vleugels.
- Met een verrekijker zagen we twee adelaars boven het dal.
Let op: Er zijn twee meervouden: adelaars en adelaren.
Hoe spreek je adelaar uit?
/ˈadəˌlar/
Adelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor sommige soorten grote roofvogels
- veldteken of standaard met de afbeelding van een adelaar (m.n. in het Romeinse leger)
- teken in de heraldiek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adelaars | meervoud |
| adelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| adelaren | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van adelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adelaars | meervoud | adelaar |
| adelaartje | verkleinwoord | adelaar |
| adelaartjes | verkleinwoord meervoud | adelaar |
| adelaren | meervoud | adelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adelaar zijn vastgelegd.