paar
zelfstandig naamwoord, onbepaald voornaamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /paːr/Betekenis
- twee geliefden die een relatie hebben
- twee personen of zaken die bij elkaar horen
- meerdere, maar niet heel veel
- even in getal
- paar
Hoe spreek je paar uit?
/par/
Paar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paartjes | verkleinwoord, meervoud |
| paren | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
- gebiedende wijs van paren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
Vervoeging van paar
paarhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands paer van Latijn pār bn "even, gelijk, passend" ** als zelfstandig naamwoord in de betekenis van ‘stel, koppel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1274 ** als onbepaald voornaamwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1731
Woordfamilie van paar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paartje | verkleinwoord | paar |
| paartjes | verkleinwoord meervoud | paar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paar zijn vastgelegd.