waar
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voegwoord, werkwoord /ʋar/Betekenis
- koopwaar, te verhandelen goederen
- aandeel in een onverdeeld landbouwbedrijf
- voorzichtigheid, aandacht, hoede (- waarschuwen)
- correct, niet onwaar, overeenkomend met de werkelijkheid
- Vragend: op welke plaats?
- Betrekkelijk op welke plaats
- als locatief deel van een wat,welk
- als locatief deel van een wat, dewelke
- geeft een gelijktijdigheid en gedeeltelijke tegenspraak aan
Hoe spreek je waar uit?
/war/
Waar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| a | maan |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- voorzichtigheid, aandacht, hoede (-> waarschuwen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
bijwoord
- als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een vragend voornaamwoord wat,welk
- als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een betrekkelijk voornaamwoord wat, dewelke
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
- gebiedende wijs van waren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
Vervoeging van waar
waarhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237
Woordfamilie van waar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| waars | woordvorm | waar |
| waarst | woordvorm | waar |
| waarste | woordvorm | waar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waar zijn vastgelegd.