maar
voegwoord, zelfstandig naamwoord, bijwoord /maːr/Betekenis
- nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of daarmee inhoudelijk contrasteert
- bezwaar, tegenwerping
- mare (ketelvormige verzakking in niet-vulkanisch gesteente)
- slechts
- bij gebrek aan beter, niet wetend wat anders te doen
- tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
Hoe spreek je maar uit?
/mar/
Maar bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als marc.
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘gracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 794