dak
zelfstandig naamwoord dɑkBetekenis
- het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
- schrijfwijze voor ndak (nee, niet)
Hoe spreek je dak uit?
/dɑk/
Dak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| daken | meervoud |
| dakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dakjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands dac van Oudnederlands thak, in de betekenis van ‘bedekking van huis’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
Woordfamilie van dak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daken | meervoud | dak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dak zijn vastgelegd.