gijzelaar
zelfstandig naamwoord ˈɣɛizəˌlarBetekenis
- een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
- persoon die aan de tegenpartij wordt uitgeleverd en er met zijn leven voor instaat dat afspraken zullen worden nagekomen
Hoe spreek je gijzelaar uit?
/ˈxɛizəˌlar/
Gijzelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (gijzelaren) | meervoud |
| gijzelaars | meervoud |
| gijzelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gijzelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘persoon die als onderpand dient’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Woordfamilie van gijzelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gijzelaars | meervoud | gijzelaar |
| gijzelaartje | verkleinwoord | gijzelaar |
| gijzelaartjes | verkleinwoord meervoud | gijzelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gijzelaar zijn vastgelegd.