contract
zelfstandig naamwoord /kɔnˈtrɑkt/Betekenis
- een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
Hoe spreek je contract uit?
/kɔnˈtrɑkt/
Contract bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- verbintenis tussen staat en burgers
- overeenkomst
- Bij het bieden: het laatste bod
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| contracten | meervoud |
| contractje | verkleinwoord, enkelvoud |
| contractjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘schriftelijke overeenkomst’ voor het eerst aangetroffen in 1391.
Woordfamilie van contract
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| contracten | meervoud | contract |
| contractje | verkleinwoord | contract |
| contractjes | verkleinwoord meervoud | contract |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van contract zijn vastgelegd.