evenaar
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈevəˌnarBetekenis
- een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
- Nederduitsch taalkundig woordenboek. (1807-1811)
Hoe spreek je evenaar uit?
/ˈevəˌnar/
Evenaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
- dat wat gelijk van gewicht is, evenwicht obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| evenaars | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van evenaren
- gebiedende wijs van evenaren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van evenaren
Vervoeging van evenaar
evenaarhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| evenáár | canonical |
Herkomst
évenaar: afgeleid van even met het achtervoegsel -aar, leenvertaling van Latijn aequator "die (de aarde) in gelijke delen verdeelt", in de betekenis van ‘equator’ aangetroffen vanaf 1585
Woordfamilie van evenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evenaars | meervoud | evenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evenaar zijn vastgelegd.