duikelaar
zelfstandig naamwoord ˈdœykəˌlarBetekenis
- speeltuigje met een verzwaarde voet dat omvergeworpen zichzelf weer in rechte stand terugbrengt
- speler van een balspel zoals voetbal die de neiging heeft zich opzichtig te laten vallen om een vrije trap uit te lokken
- slome ~ een niet al te snugger persoon
Hoe spreek je duikelaar uit?
/ˈdœykəˌlar/
Duikelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| œy | huis |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort vogel, Anhinga anhinga, die voorkomt in de moerassen van de beide Amerika's, waaronder Suriname, die vaak alleen met zijn lange hals boven water zwemt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duikelaars | meervoud |
| duikelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| duikelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van duikelen met het achtervoegsel -aar
Woordfamilie van duikelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duikelaars | meervoud | duikelaar |
| duikelaartje | verkleinwoord | duikelaar |
| duikelaartjes | verkleinwoord meervoud | duikelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duikelaar zijn vastgelegd.