lijn
zelfstandig naamwoord, werkwoord /lɛi̯n/Betekenis
- een getekende streep (op o.a. papier)
- Een denkbeeldige verbinding (zonder dikte) tussen twee punten in een 2 of 3 dimensionale ruimte
- touw
- een gespannen touw, zoals een waslijn, hengelsnoer of een aangelijnde hond
- de verbinding die mensen hebben wanneer ze via de telefoon met iemand in gesprek zijn
- de verbinding tussen twee plaatsen, die onderhouden wordt door een boot, bus, vliegtuig
- de streep aan de rand en op het sportveld
- een serie aanverwante producten die door één fabrikant worden geproduceerd
- de weg waarlangs een persoon of bepaald iets zich beweegt, of dient te bewegen
- een bepaald standpunt
- leiband, riem om een huisdier in toom te houden
Hoe spreek je lijn uit?
/lɛin/
Lijn bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een mogelijkheid om te communiceren figuratively
- een reeks van bloedverwanten die een ouder-kindrelatie met elkaar hebben
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lijnen | meervoud |
| lijntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lijntjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijnen
- gebiedende wijs van lijnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijnen
Vervoeging van lijn
lijnhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands lijnde, line; in de betekenis van ‘touw’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van lijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijntjes | verkleinwoord meervoud | lijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijn zijn vastgelegd.