trein
zelfstandig naamwoord trɛinBetekenis
- een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
Hoe spreek je trein uit?
/trɛin/
Trein bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
- alles wat dient tot het vervoer van zaken die nodig zijn voor een gevechtshandeling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| treinen | meervoud |
| treintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| treintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vervoermiddel over spoorrail’ voor het eerst aangetroffen in 1839
Woordfamilie van trein
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| treintje | verkleinwoord | trein |
| treintjes | verkleinwoord meervoud | trein |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trein zijn vastgelegd.