punt
zelfstandig naamwoord, werkwoord pʏntBetekenis
- een spits toelopend uiteinde
- een klein deel van een oppervlak met een afwijkende kleur
- een leesteken (in de vorm van een stip) dat een zin afsluit
- een diakritisch teken doorgaans boven of onder lettertekens van het Latijnse alfabet geplaatst.
- een teken (in de vorm van een stip) achter een muzieknoot dat aangeeft dat deze anderhalf keer zo lang dient te duren
- een positie in de ruimte
- een moment in de tijd
- een mening of onderwerp in een discussie of betoog
- een symbool om een waardering te noteren
- een aanduiding van een waarde of score
- een dimensieloos stuk ruimte
- een temperatuur
- zie contrapunt en orgelpunt
Hoe spreek je punt uit?
/pʏnt/
Punt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een diakritisch teken dat doorgaans boven of onder lettertekens van het Latijnse alfabet wordt geplaatst
- positie in een ruimte; een bepaalde plaats figuratively
- maateenheid voor letters; Didot-punt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| punten | meervoud |
| puntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| puntjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van punten
- gebiedende wijs van punten
Vervoeging van punt
punthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Iers, in de betekenis van ‘munteenheid van Ierland’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1990