kapitein
zelfstandig naamwoord ˌkapiˈtɛinBetekenis
- gezagvoerder van een koopvaardijschip
- een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
- door het bestuur erkend hoofd van een wat grotere etnische groep in een plaats in Nederlands-Indië
- iemand die doet alsof hij de baas is
Hoe spreek je kapitein uit?
/ˌkapiˈtɛin/
Kapitein bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| p | pak |
| i | riet |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
- een rang in de militaire hiërarchie, net boven die van luitenant en anderzijds lager dan die van majoor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (kapiteinen) | meervoud |
| kapiteins | meervoud |
| kapiteintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapiteintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘scheepsgezagvoerder’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van kapitein
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapiteinen | obsolete, meervoud | kapitein |
| kapiteins | meervoud | kapitein |
| kapiteintje | verkleinwoord | kapitein |
| kapiteintjes | verkleinwoord meervoud | kapitein |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapitein zijn vastgelegd.