domein
zelfstandig naamwoord doˈmɛinBetekenis
- gebied waarin iemand het voor het zeggen heeft (bijv. staatsdomein)
- geestelijk gebied
- een groep computers in een netwerk met een gezamenlijk adres, bijv. een e-mailadres
- gebied met een bepaalde dimensie (tijd, frequentie)
- domeinnaam
- een taxon dat bestaat uit een of meer rijken
Hoe spreek je domein uit?
/doˈmɛin/
Domein bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| m | maan |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- gebied waarin iets of iemand het voor het zeggen heeft (bijv. staatsdomein)
- gebied waarin mensen gewoon zijn te vertoeven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| domeinen | meervoud |
| domeintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| domeintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebied’ voor het eerst aangetroffen in 1602
Woordfamilie van domein
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| domeinen | meervoud | domein |
| domeintje | verkleinwoord | domein |
| domeintjes | verkleinwoord meervoud | domein |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van domein zijn vastgelegd.