pijn
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɛinBetekenis
- lichamelijk leed, veroorzaakt door ziekte of verwonding
- geestelijk leed
- pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
Hoe spreek je pijn uit?
/pɛin/
Pijn bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛi | trein |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijnen | enkelvoud |
| pijntje | verkleinwoord |
| pijntjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijnen
- gebiedende wijs van pijnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijnen
Vervoeging van pijn
pijnhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] pijn | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor naaldbomen uit het geslacht Pinus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijnen | enkelvoud |
| pijntje | verkleinwoord |
| pijntjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordfamilie van pijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijntje | verkleinwoord | pijn |
| pijntjes | verkleinwoord | pijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pijn zijn vastgelegd.